Stel je een woord voor waarvan de vertaling in andere talen telkens net mist. "Erewoord" is te formeel. "Belofte" is te licht. "Gastvrijheid" dekt niet de verplichting. "Bescherming" mist de wederkerigheid. Dat woord is Besa. En het is een van de weinige begrippen waarvan je kunt zeggen dat het een volk heeft gevormd.

Besa in de Kanun

Besa is geen moderne uitvinding. Het is een van de pijlers van de Kanun van Lekë Dukagjini, de 15e-eeuwse Albanese gewoontewet die eeuwenlang mondeling werd doorgegeven in de Noord-Albanese bergen en pas rond 1900 door de franciscaner priester Shtjefën Gjeçovi op schrift werd gesteld. De Kanun regelde alles: eigendom, huwelijk, erfenis, bloedvete, vee, water. Maar bovenaan stonden twee begrippen: nderi (eer) en besa (het erewoord).

De Kanun is in moderne ogen gemengd. Enerzijds heeft hij harde regels voor bloedwraak die tot in onze tijd voor tragedie zorgen. Anderzijds bevat dezelfde code een sectie over gastvrijheid die zo absoluut is dat er in Europa nauwelijks een parallel voor te vinden is.

"Het huis van de Albanees behoort aan God en aan de gast." Kanun van Lekë Dukagjini, Boek VIII — Gastvrijheid

Wat betekent dat concreet? Dat een vreemdeling die in je huis de drempel heeft overschreden, onder jouw bescherming valt. Niet symbolisch. Letterlijk. Als een bloedvijand achter hem aankomt, moet je hem verdedigen, desnoods met je eigen leven. Als hij eten nodig heeft, krijgt hij jouw laatste brood. Als hij de nacht moet blijven, krijgt hij het beste bed. De gastvrijheid is geen keuze — het is een verplichting, en degene die ermee breekt, breekt met zijn eigen eer en de eer van zijn hele familie.

1943 — de test

Tot in de 20e eeuw was deze regel voor de meeste Albanezen vooral een thuisaangelegenheid. Dat veranderde in september 1943. Na de capitulatie van Italië namen Duitse troepen Albanië over — en met hen het systematische plan om Joden uit heel bezet Europa te deporteren en te vermoorden.

In Albanië woonden vóór de oorlog slechts zo'n 200 Joden, in een land van iets meer dan een miljoen inwoners. Maar in de jaren daarvóór waren 600 tot 1.800 Joodse vluchtelingen vanuit Duitsland, Oostenrijk, Joegoslavië en Griekenland naar Albanië gevlucht — vaak omdat Albanië, onder eerst koning Zog en later de Italiaanse bezetter, geen antisemitische wetten had ingevoerd. Toen de Duitsers kwamen en visumlijsten eisten, stonden die mensen plotseling doodsbedreigd in een land dat normaal een van de meest uithoekse van Europa was.

Het weigerde land

Wat toen gebeurde, is bij historici goed gedocumenteerd, maar buiten Albanië nauwelijks bekend. De Albanese overheid weigerde het Duitse verzoek om een lijst van Joden te overhandigen. Het was geen individuele moed van één ambtenaar — het was een structurele, collectieve weigering door meerdere instanties. Tegelijkertijd kregen Joodse families valse identiteitspapieren met Albanese namen, en werden ze verspreid over dorpen in de bergen, waar Duitse soldaten zelden kwamen.

Boeren namen vluchtelingen in hun huizen op. Niet in kelders of op zolders. Aan tafel, als familieleden, vaak met nieuwe namen en een gefingeerde levensgeschiedenis. Buurtgenoten die wisten wie ze werkelijk waren, hielden het voor zich. Dorpen sloten de rijen. Het was een netwerk zonder centrale coördinatie, gedragen door één gedeeld idee: deze mensen zijn gasten, dus ze staan onder onze besa.

De Veseli-familie

Van de tientallen gedocumenteerde verhalen is dat van de familie Veseli uit Krujë een van de meest indringende. Hamid en Xhemal Veseli, twee Albanese moslimbroers, namen in 1943 drie Joodse families in hun huis op — de Mandils, de Ben Josefs en de Aladjems. De drie families werden dagenlang uit Tirana naar het dorp geleid, gekleed als lokale Albanezen. In het huis van Veseli werden ze aan tafel gezet. Buurtgenoten zeiden niets. De oudere kinderen van Veseli wisten wat er speelde; de jongere dachten dat het gewone logés waren. Alle gezinnen overleefden. Decennia later werden de Veseli-broers door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Vergelijkbare verhalen zijn er tientallen: de Bicaku-familie die in Elbasan onderduikers verborg, de Nashi-familie uit Vlorë, de Pilku's uit Kruja. En velen méér die nooit officieel erkend zijn omdat er na de oorlog geen Joodse overlevende was om te getuigen — niet omdat ze waren omgekomen, maar omdat ze na de oorlog naar Israël emigreerden en hun Albanese beschermers uit het oog verloren.

Het nettoresultaat

Wanneer de oorlog in 1945 eindigt, gebeurt er iets dat nergens anders in door Duitsland bezet Europa gebeurde: Albanië heeft méér Joden dan aan het begin van de oorlog. Ongeveer 2.000, inclusief de oorspronkelijke 200 en de vluchtelingen. Op één familie — de familie Arditi uit Pristina, die werd verraden — na werden vrijwel alle Joden binnen Albanese grenzen gered.

Dat cijfer is niet symbolisch. Het is een percentage. En dat percentage — vrijwel 100% overleving — is uniek. Ter vergelijking: in Nederland overleefde ongeveer 25% van de Joodse bevolking, in Polen minder dan 10%, in Duitsland zelf iets meer dan 10%. In Albanië: bijna allemaal.

Yad Vashem en de erkenning

Yad Vashem, het Israëlische Holocaust-herdenkingsinstituut in Jeruzalem, reikt sinds 1963 de titel Righteous Among the Nations uit aan niet-Joden die tijdens de Shoah Joden hebben gered. Bij Albanezen begon de erkenning pas laat — Albanië was tijdens de communistische periode vrijwel afgesloten, en veel verhalen kwamen pas na 1991 boven tafel. Per 2018 staan 75 Albanese redders op de Yad Vashem-lijst, en het aantal blijft groeien naarmate nieuwe documentatie binnenkomt. Van die 75 zijn er op twee na allemaal moslim — een detail dat er in Albanië bijna niet toe doet, maar dat in de bredere Europese geschiedenis van de Holocaust opvallend is.

In 2007 opende Yad Vashem een permanente expositie getiteld Besa: A Code of Honor — Muslim Albanians Who Rescued Jews During the Holocaust, met portretfoto's van de Amerikaanse fotograaf Norman Gershman. Die expositie toerde daarna langs musea in Europa, de VS en Azië.

Besa vandaag

Voor Albanezen van boven de vijftig is besa nog altijd een alledaags begrip. Je geeft je besa als je iets belooft. Je breekt je besa als je je woord niet houdt — en dat is erger dan liegen, het is een aanslag op je eigen eer. Voor jongere, meer verstedelijkte Albanezen is het concept wat minder acuut, maar het woord is alomtegenwoordig: op boekomslagen, in politieke speeches, op monumenten, en natuurlijk op menukaarten van restaurants die zich naar het begrip hebben vernoemd.

Wat in Europa de afgelopen jaren opnieuw opvalt — vooral nu vluchtelingencrises elders voor gesloten grenzen zorgen — is dat Albanië bleef doen wat het tijdens de oorlog deed. Toen NAVO-troepen in 1999 de Kosovaarse vluchtelingen moesten onderbrengen, openden Noord-Albanese dorpen binnen enkele dagen tienduizenden huizen. Geen regering nodig. Geen mediaoproep. Gewoon: ze waren gasten.

Bronnen