Albanië is geografisch divers: twee zeeën (de Adriatische en de Ionische), een heuvelachtig binnenland met diepe rivierdalen, de grote meren in het oosten en de hoge Alpen in het noorden. Met twaalf nationale parken, samen ruim een tiende van het land, is het een van de meest ondergewaardeerde outdoor-bestemmingen van Europa.
Wat Albanië bijzonder maakt, is hoe dicht die landschappen bij elkaar liggen. Op één dag rijd je van de Karavasta-lagune, de enige broedplek van de krulpelikaan aan de Adriatische en Ionische kust, via de dennenbossen van de Llogara-pas naar het turquoise water van de Riviera. De Vjosa stroomt zonder één stuwdam van de Griekse grens naar zee en is sinds 2023 het eerste nationale park voor een wilde rivier in Europa. En in het noorden rijzen de kalkwanden van de Albanese Alpen op boven valleien waar herders 's zomers nog met hun kuddes de bergen in trekken.
Reken niet op Alpen-comfort. Gemarkeerde wandelpaden vind je vooral rond Theth, Valbona en Llogara; elders zijn paden en bordjes schaars en is een lokale gids of een offline kaart geen overbodige luxe. De meeste parken zijn gratis toegankelijk, maar neem cash mee voor guesthouses, boottochten en parkeren. De beste tijd voor bergen en rivieren is van eind mei tot half oktober; de hoge passen zijn meestal pas van half juni tot half september sneeuwvrij. Lagunes en meren zijn juist in voor- en najaar op hun mooist, als de trekvogels er zijn en de zomerhitte voorbij is.