Voor wie Albanië vandaag bezoekt — met zijn bruisende Tirana, drukke strandresorts en kandidaatlidmaatschap van de EU — is het bijna onvoorstelbaar dat dit land tot 1991 zo goed als gesloten was voor de buitenwereld. Minder dan tachtig kilometer van het Italiaanse Apulië lag het meest gesloten regime van Europa. Geen buitenlandse kranten. Geen westerse muziek. Geen kerken, geen moskeeën. En bunkers. Overal bunkers.

1944 — bevrijding en machtsovername

Toen de Duitse bezettingstroepen zich in november 1944 uit Albanië terugtrokken, waren het de communistische partizanen onder Enver Hoxha die als eersten in Tirana binnentrokken. In tegenstelling tot de meeste Oost-Europese landen kwam het Albanese communisme niet met de Rode Leger-tanks — de Sovjets waren nooit in Albanië. Hoxha had zijn positie zelf opgebouwd, met hulp van Joegoslavische partizanen van Tito, en hij had inmiddels zijn politieke rivalen — zowel niet-communistische verzetsleiders als rivaliserende communisten — effectief geëlimineerd.

Op 11 januari 1946 werd de Volksrepubliek Albanië uitgeroepen. Hoxha werd eerste minister, minister van Buitenlandse Zaken én opperbevelhebber — een machtsconcentratie waar hij de volgende vier decennia niet van zou wijken.

De eerste breuk — Joegoslavië, 1948

De eerste jaren was Albanië bijna een vazal van Joegoslavië. De Joegoslavische economie was verweven met de Albanese, en Tito droomde van een Balkan-federatie waarin Albanië een zevende republiek zou zijn. Toen Stalin echter in 1948 met Tito brak — het beroemde conflict dat Joegoslavië uit het Oostblok dreef — koos Hoxha direct de kant van Moskou. Niet uit liefde voor Stalin alleen, maar ook uit zuivere zelfbescherming: zonder Moskou stond hij alleen tegenover een Tito die hem makkelijk had kunnen opslokken.

De breuk was abrupt. Joegoslavische adviseurs werden uitgezet, de grens dichtgegooid. Albanië werd een van de fanatiekste anti-Titoistische stemmen in het Oostblok. Voor de komende jaren was het land economisch afhankelijk van de Sovjet-Unie.

De tweede breuk — Moskou, 1961

Na Stalins dood in 1953 begon Chroesjtsjov in 1956 met zijn destalinisatie. Voor Hoxha was dat onverdraaglijk. Hij beschouwde zichzelf als de meest authentieke stalinist van Europa — de zuiverheid van Marxisme-Leninisme moest beschermd worden tegen "revisionisme". In 1961 brak hij publiekelijk met Moskou. Sovjet-adviseurs vertrokken, de Sovjet-marinebasis bij Vlorë werd opgedoekt, en de hele economische hulp droogde op. In 1968, als antwoord op de Sovjet-invasie in Tsjechoslowakije, verliet Albanië formeel het Warschaupact.

Dit was geen tactische zet — het was een ideologische vuistslag. Hoxha schreef honderden pagina's tegen de "Sovjet-revisionisten" en bleef Stalin tot aan zijn dood openlijk eren, lang nadat die in Moskou zelf in ongenade was gevallen.

De derde breuk — China, 1978

Met de Sovjets de rug toegekeerd, draaide Hoxha zich om naar het enige andere land dat het oorspronkelijke Marxisme-Leninisme nog hoog in het vaandel droeg: Maoïstisch China. In de jaren zestig en zeventig werd Peking Albaniës voornaamste bondgenoot en geldschieter. Chinese ingenieurs bouwden fabrieken, Chinese leraren onderwezen het Albanese leger.

Tot in 1972 president Nixon China bezocht. En in 1976 Mao stierf. Zijn opvolgers — eerst Hua Guofeng, daarna Deng Xiaoping — begonnen aan hun eigen opening naar het westen. Voor Hoxha was dat verraad van Marx en Lenin. In 1978 brak hij ook met China. Hulp stopte, handelscontracten werden opgezegd. Albanië stond nu werkelijk alleen — politiek, economisch, ideologisch. Een Europees Noord-Korea, zoals historici het later zouden noemen.

De atheïstische staat (1967)

In 1967 kondigde Hoxha aan dat religie was afgeschaft. Albanië was de eerste officieel atheïstische staat ter wereld. Alle 2.169 geregistreerde kerken, moskeeën, teqe's (bektashi-tempels) en kloosters werden gesloten. Veel werden afgebroken, andere veranderd in gymzalen, bioscopen of opslagplaatsen. Geestelijken werden gearresteerd; sommigen vermoord. Het bezit van een bijbel, koran of religieus voorwerp werd een misdrijf.

En toch — en dit zegt iets over de Albanese samenleving — veel gelovigen praktiseerden gewoon in het geheim. Na 1991 bleken synagogen die gesloopt waren toch in handschriften bewaard gebleven, koranverzen gevolgde die mondeling doorgegeven waren. Men had het overleefd. Maar de schade aan het religieuze erfgoed was immens.

Bunkerisering (1967 – 1986)

Misschien wel het meest iconische symbool van het Hoxha-regime is de bunker. Paddenstoelvormige betonnen koepels, meestal voor één of twee man, verspreid over het hele land — aan stranden, op akkers, op bergpassen, in tuinen. Ze werden in serie gebouwd vanaf 1967, als bescherming tegen een denkbeeldige invasie (door de NAVO, of de Sovjets, of de Joegoslaven — het wisselde). Iedere burger moest weten waar zijn lokale bunker was.

Over het aantal bestaat geen eensgezindheid. Het Albanese Ministerie van Defensie publiceerde later een aantal van ongeveer 173.000 bunkers. Populaire bronnen, media en toeristische gidsen spreken van 750.000. Wat vaststaat: het waren er veel, het kostte een fortuin, en het beton en staal hadden kunnen dienen voor woningbouw, ziekenhuizen, scholen. Albanië had tijdens de bouw een chronisch woningtekort.

Na 1991 zijn de meeste bunkers blijven staan — beton is nu eenmaal moeilijk op te ruimen. Sommige zijn omgebouwd tot cafés, restaurants, B&B's of zelfs een museum (BunkArt in Tirana). Andere worden langzaam door de natuur overgenomen.

Het dagelijks leven

Reizen naar het buitenland was voor gewone burgers onmogelijk. Buitenlandse zenders werden gestoord. Het bezit van een westers popalbum, een jeans of een boek uit het westen kon leiden tot verhoor door de Sigurimi, de geheime dienst. Baarden voor mannen waren verdacht ("religieus"), lange haar eveneens. Het alfabet op schrijfmachines werd centraal geregistreerd, zodat anonieme pamfletten gematcht konden worden.

Maar er was ook — en dit is het ongemakkelijke deel — grote werkgelegenheid, gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg, en een analfabetismecijfer dat van 80% in 1944 daalde naar bijna nul. Albanië was arm, maar het was geen hongerland zoals sommige buurlanden. Dat is waarom sommige oudere Albanezen vandaag nog ambivalent terugkijken — niet uit liefde voor Hoxha, maar uit besef dat het chaos van 1991-1997 óók slachtoffers maakte.

Einde (1985 – 1991)

Enver Hoxha stierf op 11 april 1985, 76 jaar oud. Zijn opvolger was Ramiz Alia, zijn loyale protegé, die probeerde langzame hervormingen door te voeren — te langzaam. Toen in 1989 de Berlijnse Muur viel en het Oostblok desintegreerde, hield Albanië nog even vol. Maar in december 1990 barstten de studentenprotesten los in Tirana. In februari 1991 werd het gigantische bronzen Hoxha-standbeeld op het Skanderbegplein neergehaald door de menigte. In maart 1991 kwamen er de eerste meerpartijenverkiezingen.

Het Hoxha-tijdperk was voorbij. Wat volgde — de piramidecrisis van 1997, de chaos, het langzame herstel — is een ander verhaal. Maar de bunkers staan er nog. En iedere Albanees boven de vijfendertig heeft een eigen herinnering.

Bronnen