Albanië had in zijn hele geschiedenis maar één echte koning, en die kroonde zichzelf. Ahmet Zogu was een clanleider uit de bergen van Mat die in vijftien jaar opklom van minister tot president tot koning. Hij moderniseerde het land met harde hand, liet het economisch afhankelijk worden van Mussolini, en vluchtte toen diezelfde Mussolini in april 1939 binnenviel. Wat volgde waren vijf jaar bezetting, verzet en burgeroorlog, met aan het einde een uitkomst die Albanië bijna een halve eeuw zou bepalen.
Van clanzoon tot president
Ahmet Zogolli werd op 8 oktober 1895 geboren in het kasteel van Burgajet, in de bergstreek Mat, als zoon van een invloedrijke moslimfamilie van landheren. Hij ging naar school in Istanbul en was nog maar zeventien toen Albanië in 1912 onafhankelijk werd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij met zijn eigen gewapende mannen aan Oostenrijks-Hongaarse zijde.
Na het Congres van Lushnjë in 1920 werd hij minister van Binnenlandse Zaken, en in 1922 premier. Datzelfde jaar veranderde hij zijn naam in Zogu. De jaren twintig waren chaotisch: politieke moorden, bloedwraak en botsingen tussen conservatieve grootgrondbezitters en hervormingsgezinde liberalen. In juni 1924 werd Zogu verdreven door de zogeheten Juni-revolutie onder de orthodoxe bisschop en dichter Fan Noli. Zogu vluchtte naar Joegoslavië, verzamelde daar een leger met Joegoslavische steun en Russische emigranten, en trok in december 1924 Tirana weer binnen. Noli moest vluchten.
Begin 1925 werd Albanië een republiek met Zogu als president, met vrijwel onbeperkte macht. Op 1 september 1928 liet hij zich door het parlement uitroepen tot Zog I, Mbret i Shqiptarëve: koning der Albanezen. Die titel was bewust gekozen. Hij was niet alleen koning van Albanië, maar van alle Albanezen, ook die in Kosovo, wat Joegoslavië als een provocatie zag.
Een koning die moderniseerde en onderdrukte
Zogs bewind valt moeilijk in één woord te vangen. Aan de ene kant bracht hij orde in een land dat bijna ongeregeerd was. Hij liet de bergstammen ontwapenen, verving in 1929 het islamitische recht door een burgerlijk wetboek naar Europees model, schafte de religieuze rechtbanken voor burgerlijke zaken af, en verbood in 1937 de gezichtssluier. Tirana kreeg zijn grote ministeriegebouwen en de brede boulevard, ontworpen door Italiaanse architecten.
Aan de andere kant was het een dictatuur. Tegenstanders werden gevangengezet, verbannen of vermoord, verkiezingen waren een formaliteit en de pers stond onder controle. Zog leefde zelf in voortdurende angst voor bloedwraak: talloze families hadden een rekening met hem openstaan. Hij overleefde meerdere aanslagen, waaronder een schietpartij in 1931 bij de opera in Wenen. Hij kwam zijn paleis zelden uit.
Het grootste probleem was geld. Albanië was het armste land van Europa, en Zog vond zijn financier in Mussolini. Italië leende geld, bouwde wegen en havens, kreeg de controle over de nationale bank, en sloot in 1926 en 1927 de Verdragen van Tirana, die Albanië in feite tot Italiaans invloedsgebied maakten. Zog probeerde in de jaren dertig af en toe afstand te nemen, maar de afhankelijkheid bleef.
In april 1938 trouwde Zog in Tirana met de Hongaarse gravin Geraldine Apponyi. Een jaar later, op 5 april 1939, werd hun zoon Leka geboren. Twee dagen daarna stonden de Italianen voor de deur.
7 april 1939: de Italiaanse invasie
Na de Duitse inname van Praag in maart 1939 wilde Mussolini niet achterblijven. Eind maart stelde Italië Zog een ultimatum dat neerkwam op een protectoraat. Zog weigerde. Op 7 april 1939, Goede Vrijdag, landden Italiaanse troepen in Durrës, Vlorë, Shëngjin en Sarandë; volgens de meeste schattingen zo'n 22.000 man in de eerste golf.
Het Albanese leger was klein en slecht bewapend. In Durrës hielden een paar honderd soldaten, gendarmes en vrijwilligers de landing enkele uren op. De bekendste naam is die van onderofficier Mujo Ulqinaku, die met een mitrailleur vanaf zijn patrouilleboot bleef schieten tot hij door Italiaans scheepsgeschut werd gedood; hij is nog altijd een nationale held. Over het aantal doden aan beide kanten lopen de schattingen sterk uiteen.
Zog vluchtte nog dezelfde dag met zijn vrouw, zijn pasgeboren zoon en een deel van de goudreserve naar Griekenland. Veel Albanezen hebben hem dat nooit vergeven. Op 8 april trokken de Italianen Tirana binnen, en op 12 april bood een bijeengeroepen vergadering de Albanese kroon aan aan koning Victor Emanuel III van Italië. Albanië verdween als zelfstandige staat.
Bezetting: van Italië naar Duitsland
Italië maakte van Albanië een springplank. Op 28 oktober 1940 viel Mussolini vanuit Albanië Griekenland binnen. Dat werd een fiasco: het Griekse leger sloeg terug en bezette die winter Korçë en Gjirokastër. Pas met de Duitse inval in Griekenland en Joegoslavië in april 1941 keerde het tij. Daarna voegde Italië Kosovo en West-Macedonië bij het bezette Albanië: het "Groot-Albanië" waar Albanese nationalisten van droomden, maar dan onder fascistische vlag.
Toen Italië in september 1943 capituleerde, namen Duitse troepen het land over. Zij lieten een formeel "neutrale" Albanese regering en een regentschapsraad toe, om zo de bevolking aan hun kant te krijgen. Dat lukte deels. In Kosovo werd in 1944 zelfs een Albanese SS-divisie opgericht, de Skanderbeg-divisie, die weinig militaire betekenis had maar wel betrokken was bij misdaden tegen burgers.
Verzet en burgeroorlog
Het verzet was verdeeld vanaf het begin. Op 8 november 1941 werd in Tirana met hulp van Joegoslavische communisten de Communistische Partij van Albanië opgericht, met de jonge leraar Enver Hoxha uit Gjirokastër als een van de leiders. In september 1942 vormde de partij op de conferentie van Pezë het Nationale Bevrijdingsfront, dat ook niet-communisten aantrok. Hun gewapende arm waren de partizanen.
Daartegenover stond de Balli Kombëtar (Nationaal Front), eind 1942 opgericht door nationalisten als Midhat Frashëri: republikeins, anticommunistisch en vooral gericht op een etnisch Albanië inclusief Kosovo. Later kwam daar nog de koningsgezinde beweging Legaliteti bij, onder Abaz Kupi, de commandant uit Durrës van 1939.
In augustus 1943 sloten partizanen en Balli in het dorp Mukje een akkoord om samen te vechten. Het hield maar een paar weken: de Joegoslavische communisten, die de Albanese partij steunden, wilden niets weten van een Albanees Kosovo, en Hoxha liet het akkoord vallen. Daarna vochten de Albanese groepen vooral tegen elkaar. Delen van de Balli werkten met de Duitsers samen tegen de partizanen, wat de communisten na de oorlog als argument gebruikten om alle tegenstanders als collaborateurs weg te zetten. Britse SOE-officieren, die bij alle groepen opereerden, kozen uiteindelijk vooral voor de partizanen, omdat die het meest tegen de Duitsers vochten.
Joden in veiligheid
Midden in die chaos gebeurde iets wat Albanië uniek maakt in bezet Europa. Vóór de oorlog woonden er maar weinig Joden in het land: schattingen lopen uiteen van enkele tientallen bij de volkstelling van 1930 tot zo'n 200 à 300 aan de vooravond van de oorlog. Daarna vluchtten honderden Joden uit Duitsland, Oostenrijk, Joegoslavië en Griekenland naar Albanië, dat onder Zog en ook onder Italië geen anti-Joodse deportaties uitvoerde.
Toen de Duitsers in 1943 kwamen en lijsten van Joden eisten, weigerden Albanese ambtenaren mee te werken. Families in steden en bergdorpen namen Joodse vluchtelingen in huis, gaven ze Albanese namen en kleren, en hielden hun mond. Het gevolg: aan het eind van de oorlog woonden er naar schatting 1.800 tot 2.000 Joden in Albanië, veel meer dan ervoor. Voor zover bekend kwamen in het eigenlijke Albanië slechts enkele leden van één familie om.
Yad Vashem in Jeruzalem heeft tot 1 januari 2024 75 Albanezen erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren; vermoedelijk is het werkelijke aantal redders veel groter, omdat veel geredde Joden na de oorlog vertrokken en het communistische Albanië decennialang afgesloten was. Het verhaal achter deze redding, en de rol van het erewoord besa daarin, lees je uitgebreid op onze pagina over besa.
Eerlijkheid vraagt wel om één kanttekening. In het door Albanië bestuurde Kosovo lag het anders. Daar werden Joden in 1942 aan de Duitsers uitgeleverd, en in mei 1944 arresteerde de Skanderbeg-divisie in Pristina 281 Joden, die grotendeels naar Bergen-Belsen werden gedeporteerd. Veel van hen kwamen om.
November 1944: bevrijding en machtsovername
In mei 1944 riepen de communisten op het congres van Përmet een eigen bestuur uit, in oktober in Berat een voorlopige regering met Hoxha als premier. Toen de Duitsers zich in het najaar van 1944 uit de Balkan terugtrokken, trokken de partizanen op. Na wekenlange gevechten namen ze op 17 november 1944 Tirana in. Op 29 november 1944 was het hele land in hun handen; die dag is nog steeds de Bevrijdingsdag.
Albanië is daarmee een van de weinige Europese landen die zichzelf bevrijdden, zonder Sovjet- of westerse grondtroepen. Dat gaf de communisten een enorme legitimiteit, en ze gebruikten die direct. Leiders van de Balli en Legaliteti vluchtten of werden berecht, verkiezingen in december 1945 kenden alleen de lijst van het Front, en in januari 1946 werd de Volksrepubliek uitgeroepen. Zog werd formeel afgezet. De oorlog kostte naar schatting zo'n 28.000 Albanezen het leven. Hoe het verder ging, lees je bij het Hoxha-tijdperk.
Zogs nalatenschap
Zog keerde nooit terug. Hij woonde in Engeland, Egypte en Frankrijk en stierf op 9 april 1961 in Suresnes bij Parijs. Onder het communisme was hij een verrader die met het goud was gevlucht. Na 1991 kwam er een milder beeld: dat van de staatsbouwer die het land orde en een wetboek gaf. In 1997 hield Albanië een referendum over de terugkeer van de monarchie; de republiek won. In november 2012, honderd jaar na de onafhankelijkheid, werden zijn stoffelijke resten naar Tirana overgebracht en herbegraven in het koninklijk mausoleum. In Tirana kun je de grote ministeriegebouwen uit zijn tijd rond de Bulevardi Dëshmorët e Kombit zien, en in Durrës zijn zomerpaleis op de heuvel.
Veelgestelde vragen
Had Albanië een koning?
Ja. Ahmet Zogu, sinds 1925 president, liet zich op 1 september 1928 uitroepen tot Zog I, koning der Albanezen. Hij regeerde tot de Italiaanse invasie van april 1939 en stierf in 1961 in ballingschap in Frankrijk. Daarvoor had Albanië in 1914 al een half jaar een vorst gehad, de Duitse prins Wilhelm zu Wied.
Wanneer viel Italië Albanië binnen?
Op 7 april 1939, Goede Vrijdag. Italiaanse troepen landden in onder meer Durrës, Vlorë, Shëngjin en Sarandë. Koning Zog vluchtte dezelfde dag naar Griekenland, op 8 april viel Tirana en op 12 april bood een bijeengeroepen vergadering de Albanese kroon aan aan de Italiaanse koning Victor Emanuel III.
Hoeveel Joden heeft Albanië gered?
Er is geen exact getal. Vóór de oorlog woonden er hooguit enkele honderden Joden in Albanië; na de oorlog waren het er naar schatting 1.800 tot 2.000, omdat Albanezen Joodse vluchtelingen verborgen. Yad Vashem erkende tot 1 januari 2024 75 Albanezen als Rechtvaardige onder de Volkeren. In het door Albanië bestuurde Kosovo werden wel honderden Joden gedeporteerd.
Wie bevrijdde Albanië in 1944?
Albanië werd bevrijd door de eigen communistisch geleide partizanen, zonder Sovjet- of westerse grondtroepen. Op 17 november 1944 namen ze Tirana in en op 29 november 1944 was het hele land in hun handen. Hun leider Enver Hoxha bleef tot zijn dood in 1985 aan de macht.
Bronnen
- Wikipedia — Zog I of Albania
- Encyclopaedia Britannica — Zog I
- Wikipedia — Italian invasion of Albania
- Wikipedia — Albanian resistance during World War II
- Wikipedia — The Holocaust in Albania
- Yad Vashem — The Rescue of Jews in Albania
- Yad Vashem / Echoes & Reflections — aantallen Rechtvaardigen per land (stand 1 januari 2024)
- Bernd J. Fischer, Albania at War, 1939–1945 (Purdue University Press, 1999)