Historische foto uit 1912: Ismail Qemali spreekt vanaf een houten balkon in Vlorë een menigte met witte petjes toe, met vlaggen aan het gebouw
Foto: Onbekende fotograaf, Publiek domein, via Wikimedia Commons

Elk jaar op 28 november hangt Albanië vol rood en zwart. Vlaggen aan balkons, auto's met wapperende adelaars, concerten op het Skanderbegplein in Tirana en een plechtigheid bij het Onafhankelijkheidsmonument in Vlorë. Albanezen in Kosovo, Noord-Macedonië en de diaspora vieren mee. Het is het belangrijkste nationale feest van het jaar. Maar het verhaal achter die dag is minder triomfantelijk dan de vlaggen doen vermoeden: Albanië werd geboren in nood, met haast en onder voogdij van Europa.

Aanloop: een volk zonder staat

Aan het eind van de 19e eeuw waren Albanezen de enige grote bevolkingsgroep op de Balkan zonder eigen staat of beschermheer. Ze woonden verspreid over vier Ottomaanse provincies (Shkodër, Kosovo, Monastir en Janina) en waren verdeeld in moslims, katholieken en orthodoxen. Hun buren, Servië, Montenegro en Griekenland, claimden ieder een deel van hun land.

De Liga van Prizren van 1878 was de eerste georganiseerde reactie (zie de Ottomaanse tijd). Daarna volgden de culturele beweging van de Rilindja, de eerste Albanese scholen en in 1908 een gemeenschappelijk Latijns alfabet. Politiek wilden de meeste Albanese leiders lang geen volledige onafhankelijkheid, maar autonomie binnen het Ottomaanse Rijk: zonder het rijk zouden de buren het land opdelen, zo was de vrees. Tussen 1910 en 1912 kwamen Albanezen in Kosovo en de bergen telkens in opstand tegen de centraliserende Jong-Turken. In augustus 1912 kregen ze in principe hun autonomie.

Toen viel alles in een paar weken om. In oktober 1912 begon de Eerste Balkanoorlog: Montenegro, Servië, Griekenland en Bulgarije vielen het Ottomaanse Rijk aan. Servische troepen trokken door Kosovo naar de Adriatische kust, Montenegro belegerde Shkodër, en Griekenland rukte op in het zuiden. Als de Albanezen niet snel iets deden, bleef er geen Albanië over om autonoom te maken.

28 november 1912 in Vlorë

De man van het moment was Ismail Qemali (in het Turks Ismail Kemal Bey), geboren in 1844 in Vlorë in een vooraanstaande familie. Hij had een lange carrière als Ottomaans bestuurder en parlementariër achter de rug en had goede contacten in Wenen en Rome. In november 1912 reisde hij vanuit Istanbul via Boekarest en Wenen terug naar Albanië en kwam, per schip via Durrës, in Vlorë aan, een van de weinige grote steden die nog niet bezet was.

Op 28 november 1912 kwamen daar afgevaardigden uit alle delen van het Albanese gebied bijeen, ook uit Kosovo en Çamëria. Ze verklaarden Albanië onafhankelijk, en Qemali hees vanaf het balkon van het vergaderhuis de rode vlag met de zwarte dubbelkoppige adelaar: de vlag van Skanderbeg. De oorspronkelijke verklaring draagt ongeveer veertig handtekeningen. Een paar dagen later, op 4 december, werd een voorlopige regering gevormd met Qemali als premier.

Die regering had weinig macht. Ze controleerde in feite alleen Vlorë en omgeving, had nauwelijks geld en geen leger, en de Griekse vloot blokkeerde de haven. Wat ze wél had, was een datum en een vlag, en daarmee een claim die de grote mogendheden niet meer konden negeren.

Waarom juist 28 november?

De datum was niet helemaal toevallig. Volgens de overlevering hees Skanderbeg op 28 november 1443 zijn vlag boven de burcht van Krujë, na zijn overloop van het Ottomaanse leger. Of die dag in 1443 historisch precies klopt, is niet zeker, maar in 1912 was de symboliek duidelijk: Albanië knoopte aan bij zijn grootste held en bij dezelfde vlag. Daarom heet 28 november in Albanië ook Dita e Flamurit, de Dag van de Vlag. Meer over het symbool lees je bij de vlag en de adelaar.

Een dag later, op 29 november, viert Albanië de Bevrijdingsdag: op 29 november 1944 was het hele land bevrijd van de Duitse bezetting. Zo zijn er eind november twee nationale feestdagen achter elkaar.

De Conferentie van Londen: Albanië krijgt grenzen

Over de toekomst van de Balkan werd niet in Vlorë beslist, maar in Londen. Vanaf december 1912 vergaderden de ambassadeurs van de zes grote mogendheden (Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië) onder voorzitterschap van de Britse minister Edward Grey. Oostenrijk-Hongarije en Italië wilden een Albanese staat, vooral om te voorkomen dat Servië een haven aan de Adriatische Zee kreeg. Rusland steunde Servië en Montenegro.

Op 17 december 1912 aanvaardden de ambassadeurs in principe een autonoom Albanië. Op 29 juli 1913 besloten ze dat Albanië een onafhankelijk, neutraal vorstendom zou worden onder garantie van de mogendheden, met een Europese vorst en een Internationale Controlecommissie die het bestuur tien jaar lang moest begeleiden. Nederlandse officieren kregen de opdracht een gendarmerie op te bouwen.

De prijs was hoog. De grenzen werden getrokken als compromis tussen de grote mogendheden, niet naar waar Albanezen woonden. Kosovo, met steden als Prizren, Pristina en Peja, bleef bij Servië (zie Kosovo en Albanië); Gjakova ging naar Montenegro; westelijk Macedonië met Dibra, Tetovo en Ohrid bleef Servisch. In het zuiden legde het Protocol van Florence (december 1913) de grens met Griekenland vast: Korçë en Gjirokastër werden Albanees, maar Çamëria bleef Grieks. Een groot deel van de Albanezen kwam zo buiten de nieuwe staat te wonen. Die grens bepaalt tot vandaag de verhoudingen in de regio.

Shkodër werd in april 1913 na een lang beleg door Montenegro ingenomen, maar onder druk van een internationale vlootblokkade moest Montenegro de stad een maand later weer opgeven. Zo bleef de grootste stad van het noorden Albanees.

Een Duitse prins in Durrës (1914)

De mogendheden kozen als vorst prins Wilhelm zu Wied, een Duitse officier zonder enige band met Albanië. In Albanië noemde hij zich mbret (koning), internationaal was hij vorst. Op 7 maart 1914 kwam hij aan in Durrës, dat tijdelijk hoofdstad werd. Qemali was in januari al afgetreden.

Het werd een kort en ongelukkig bewind. De machtige grootgrondbezitter Essad Pasha Toptani zat in de regering maar speelde zijn eigen spel en werd in mei 1914 het land uitgezet. In Midden-Albanië brak een boerenopstand uit van moslimboeren die de christelijke, buitenlandse vorst wantrouwden en terug wilden naar het Ottomaanse Rijk. In het zuiden riepen Griekse inwoners een autonome republiek Noord-Epirus uit. Op 15 juni 1914 sneuvelde de Nederlandse officier Lodewijk Thomson bij gevechten om Durrës; in Durrës en Den Haag staan beelden van hem, en hij geldt als de eerste Nederlandse militair die omkwam tijdens een vredesmissie.

Toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, droogde de buitenlandse steun op. Op 3 september 1914 verliet Wied het land. Hij heeft nooit formeel afstand gedaan van de troon.

De Eerste Wereldoorlog: speelbal van legers

Albanië was officieel neutraal, maar dat hielp niets. Tussen 1914 en 1918 trokken Griekse, Servische, Montenegrijnse, Italiaanse, Oostenrijks-Hongaarse, Franse en Bulgaarse troepen door het land. Italië bezette eind 1914 Vlorë, Oostenrijk-Hongarije het noorden en midden, Frankrijk de streek rond Korçë. In het geheime Verdrag van Londen van 1915 beloofden de geallieerden Italië Vlorë en een protectoraat over Midden-Albanië, terwijl het noorden en zuiden aan de buren zouden toevallen. Als dat plan was uitgevoerd, had Albanië niet meer bestaan.

Lushnjë 1920: Albanië redt zichzelf

Na de oorlog lag het lot van Albanië opnieuw op tafel, nu bij de vredesconferentie in Parijs. Dat het land bleef bestaan, kwam door twee dingen. De Amerikaanse president Woodrow Wilson weigerde in te stemmen met de verdeling. En de Albanezen namen zelf het initiatief.

Eind januari 1920 kwamen afgevaardigden bijeen in het stadje Lushnjë. Het Congres van Lushnjë wees elke verdeling en elk protectoraat af, stelde een nieuwe regering en een regentschapsraad in, en koos Tirana als hoofdstad. In februari 1920 verhuisde de regering naar Tirana, toen nog een bescheiden stad van zo'n tienduizend inwoners. In de zomer van 1920 dreven Albanese vrijwilligers het Italiaanse leger in de zogeheten Vlora-oorlog terug; Italië trok zich in september 1920 terug op het eilandje Sazan na.

Op 17 december 1920 werd Albanië lid van de Volkenbond, en in november 1921 bevestigden de grote mogendheden in grote lijnen de grenzen van 1913. Pas toen was de onafhankelijkheid van 1912 echt geborgd. In de jaren daarna kwam een jonge politicus uit Mat op, Ahmet Zogu, die de jonge staat met harde hand zou leiden: lees verder bij koning Zog en de Tweede Wereldoorlog.

Waar je het verhaal kunt zien

In Vlorë staat het Onafhankelijkheidsmuseum (Muzeu i Pavarësisë), in het gebouw waar de eerste regering zat, vlak bij de haven. Op het Vlagplein (Sheshi i Flamurit) staat het grote bronzen Onafhankelijkheidsmonument uit 1972. In Tirana herinnert het Parku Ismail Qemali aan hem, en in Lushnjë is een klein museum gewijd aan het congres van 1920. Wie in november reist, kan de feestdagen zelf meemaken; zie Albanië in de winter.

Veelgestelde vragen

Wanneer werd Albanië onafhankelijk?

Op 28 november 1912 riep een vergadering van Albanese afgevaardigden onder leiding van Ismail Qemali in Vlorë de onafhankelijkheid van het Ottomaanse Rijk uit. De grote mogendheden erkenden het nieuwe land op de Conferentie van Londen, voorlopig in december 1912 en definitief op 29 juli 1913.

Waarom is 28 november de Albanese onafhankelijkheidsdag?

Op 28 november 1912 werd in Vlorë de onafhankelijkheid uitgeroepen en de rode vlag met de zwarte adelaar gehesen. Volgens de overlevering is dat ook de dag waarop Skanderbeg in 1443 zijn vlag hees in Krujë. De dag heet in Albanië Dita e Flamurit, de Dag van de Vlag.

Waarom hoort Kosovo niet bij Albanië?

Tijdens de Balkanoorlogen van 1912-1913 bezette Servië Kosovo. Op de Conferentie van Londen kozen de grote mogendheden voor een klein Albanië en lieten Kosovo bij Servië en andere Albanese gebieden bij Montenegro en Griekenland. Daardoor kwam een groot deel van de Albanezen buiten de grenzen te wonen. Kosovo riep in 2008 zelf de onafhankelijkheid uit.

Wat is het verschil tussen 28 en 29 november in Albanië?

28 november is de Onafhankelijkheidsdag (1912), 29 november de Bevrijdingsdag: op 29 november 1944 was het hele land bevrijd van de Duitse bezetting. Beide zijn nationale feestdagen.

Bronnen