Wie door de witte huizenrijen van Berat loopt of over de leistenen daken van Gjirokastër uitkijkt, ziet Ottomaanse geschiedenis. Datzelfde geldt voor een bord baklava, een kopje Turkse koffie of het woord çaj voor thee. Toch is de Ottomaanse tijd in Albanië geen simpel verhaal van bezetter en bezette. Albanezen vochten tegen het rijk, maar ze droegen het ook. Dat maakt deze periode zo interessant, en in Albanië zelf soms nog gevoelig.
De verovering: een eeuw van stukje voor stukje
Eind 14e eeuw was het huidige Albanië een lappendeken van kleine vorstendommen: de Balšići in het noorden, de Thopia rond Durrës, de Muzaka en Dukagjini, en Venetië in de havensteden. Die heren vochten vooral met elkaar. In 1385 riep Karl Thopia de hulp van Ottomaanse troepen in tegen zijn rivaal Balša II. Bij Savra, in de vlakte bij Lushnjë, werd Balša verslagen en gedood. De Ottomanen waren binnen, en ze gingen niet meer weg.
In de decennia daarna werden de Albanese heren een voor een vazal. Rond 1417 vielen Vlorë, Kaninë en Berat, kort daarna Gjirokastër. Rond 1420 richtten de Ottomanen het Sandžak van Albanië op, met een belastingregister uit 1431–1432 dat nog steeds een bron is voor historici. Het land werd verdeeld in timars: stukken grond waarvan de opbrengst naar een ruiter ging die in ruil daarvoor in het leger diende. Opvallend genoeg kregen ook christelijke Albanese edelen zo'n timar.
Daarna kwam het grote intermezzo. Van 1443 tot zijn dood in 1468 hield Skanderbeg vanuit Krujë het Ottomaanse leger op afstand. Zonder hem brokkelde het verzet af: Krujë viel in 1478, Shkodër na een zwaar beleg in 1479, en Venetië gaf Durrës in 1501 op. Duizenden Albanezen vluchtten over zee naar Zuid-Italië en Sicilië, waar hun nazaten, de Arbëreshë, nog altijd een oude vorm van het Albanees spreken.
Hoe Albanië moslim werd
De meeste Albanese moslims stammen niet af van Turkse kolonisten, maar van Albanezen die zich in de loop van eeuwen bekeerden. Dat ging langzaam. In de eerste eeuw na de verovering bleef de overgrote meerderheid christelijk. De grote golf kwam in de 16e en 17e eeuw, en tegen het einde daarvan waren moslims de grootste geloofsgemeenschap.
Waarom? Historici noemen een combinatie van redenen. Christenen betaalden een extra hoofdelijke belasting, de xhizje. Moslims konden carrière maken in leger en bestuur. De kerk was zwak georganiseerd en in het noorden verdeeld tussen katholiek en orthodox. En soefi-ordes, vooral de Bektashi, brachten een vrije, mystieke islam die goed paste bij volksgeloof en lokale gewoonten. Er waren ook periodes van druk, bijvoorbeeld na opstanden waarbij christenen met Venetië of Oostenrijk samenwerkten, maar massale gedwongen bekeringen waren niet de regel.
Het resultaat is het religieuze mengsel dat Albanië nog steeds kenmerkt (zie religie in Albanië): soennitische moslims in het grootste deel van het land, Bektashi vooral in het zuiden, katholieken rond Shkodër en in de noordelijke bergen, orthodoxen in het zuiden en zuidoosten. Families waren soms gemengd, en het gezegde van de 19e-eeuwse dichter Pashko Vasa, "de religie van de Albanees is het Albaneesschap", kreeg pas veel later zijn politieke lading. Dat de Bektashi-orde sinds de jaren 1920 haar wereldcentrum in Tirana heeft, is een direct gevolg van deze geschiedenis.
Devshirme: de knapenlichting
Een van de hardste kanten van het Ottomaanse systeem was de devshirme. Om de zoveel jaar haalden Ottomaanse ambtenaren christelijke jongens uit dorpen in de Balkan weg. Ze werden naar Anatolië of Istanbul gebracht, tot moslim opgevoed en opgeleid tot janitsaar (lid van de elite-infanterie) of, als ze heel slim waren, tot hoveling en bestuurder in het paleis.
Voor de families was dit een ramp: je zoon verdween, vaak voorgoed. Tegelijk was het een van de weinige manieren om in het rijk hogerop te komen, en er zijn verhalen over ouders die hun zoon juist lieten meegaan. Ook Albanese jongens werden zo gerekruteerd, en sommigen kwamen terecht op posten die geen Albanese edelman ooit had kunnen bereiken. De devshirme raakte in de 17e eeuw in onbruik.
Albanezen aan de top van het rijk
Hier wordt het verhaal verrassend. Geen enkel volk van de Balkan leverde naar verhouding zoveel bestuurders aan het Ottomaanse Rijk als de Albanezen. Tellingen variëren, maar historici komen op enkele tientallen grootviziers (de hoogste minister van de sultan) van Albanese afkomst; vaak wordt een getal rond de veertig à vijftig genoemd.
De bekendste zijn de Köprülü's. Stamvader Köprülü Mehmed Pasha werd rond 1575 geboren in Roshnik, een dorp bij Berat, en kwam als jongen in Ottomaanse dienst. Op hoge leeftijd werd hij in 1656 grootvizier, in een tijd dat het rijk in chaos verkeerde. Hij greep hard in en zette een dynastie neer: in de tweede helft van de 17e eeuw leverde de familie zes grootviziers. Zijn zoon Fazıl Ahmed Pasha veroverde Kreta op Venetië. Het rijk bereikte onder hen nog één keer zijn grootste omvang.
Ook buiten Istanbul lieten Albanezen hun sporen na. Albanese huurlingen, de arnaut, vochten in alle uithoeken van het rijk. Een van hen, Muhammad Ali, geboren in Kavala in een Albanese familie, werd in 1805 gouverneur van Egypte en stichtte er een dynastie die tot 1952 regeerde.
De eeuw van de pasja's
In de 18e eeuw verzwakte het centrale gezag, en lokale Albanese families grepen hun kans. Ze werden formeel benoemd door de sultan, maar regeerden als vorsten. In het noorden bouwde de familie Bushati vanaf 1757 vanuit Shkodër een vrijwel zelfstandig pasjalik op. Kara Mahmud Bushati voerde zelfs oorlog op eigen houtje, tot hij in 1796 sneuvelde in Montenegro.
In het zuiden kwam de machtigste van allemaal op: Ali Pasha van Tepelenë, die vanuit Ioannina een groot deel van het huidige Zuid-Albanië en Noord-Griekenland beheerste en met Napoleon en de Britten onderhandelde alsof hij een staatshoofd was. Sultan Mahmud II maakte er in de jaren 1820 en 1830 een einde aan. Ali Pasha werd in 1822 gedood, de Bushati's moesten in 1831 opgeven, en in 1830 lokte grootvizier Reşid Mehmed Pasha honderden Albanese beys naar Monastir (het huidige Bitola), waar velen van hen werden omgebracht.
De hervormingen die volgden, de Tanzimat, brachten centralisatie, nieuwe belastingen en dienstplicht. In Albanië leidde dat in de jaren 1830 en 1840 tot de ene opstand na de andere, vooral in de bergen, waar men gewend was aan eigen recht volgens de Kanun.
Wat je er nog van ziet
De mooiste Ottomaanse erfenis is de stad zelf. Berat, de "stad van de duizend ramen", kreeg zijn witte huizenrijen in de wijken Mangalem en Gorica grotendeels in de 18e en 19e eeuw. Je ziet er de Koningsmoskee (eind 15e eeuw) en de Loodmoskee (16e eeuw), naast orthodoxe kerken met iconen van Onufri. Gjirokastër is de stad van de torenhuizen: half woning, half burcht, gebouwd voor rijke families in een tijd van vetes. Samen staan ze sinds 2005/2008 op de UNESCO-Werelderfgoedlijst als zeldzaam goed bewaarde Ottomaanse steden.
Elders vind je de Et'hem Bey-moskee in Tirana (begonnen in 1789 en voltooid rond 1821, met unieke muurschilderingen van landschappen), de Muradie-moskee in Vlorë, gewelfde stenen bruggen zoals de Mesi-brug bij Shkodër, en in bijna elke stad een oude bazaar. Tirana zelf is een Ottomaanse stichting: volgens de overlevering bouwde Sulejman Pasha Bargjini er in 1614 een moskee, een hamam en een bakkerij.
Ook de taal en de keuken dragen sporen: byrek, qofte, bakllava, kafe, pazar, xhami (moskee), çarçaf (laken). Lees er meer over in onze pagina's over byrek en de Albanese taal.
Rilindja: het nationale ontwaken
In de 19e eeuw groeide in heel de Balkan het nationalisme. Grieken, Serviërs, Montenegrijnen en Bulgaren kregen een voor een een eigen staat, vaak met hulp van Rusland. Voor de Albanezen was dat bedreigend: zij hadden geen beschermheer, waren verdeeld over drie religies en vier Ottomaanse provincies, en hun buren claimden grote delen van hun land.
Na de Russisch-Turkse oorlog wees de Vrede van San Stefano (maart 1878) Albanees gebied toe aan Servië, Montenegro en Bulgarije. Als reactie kwamen op 10 juni 1878 Albanese leiders bijeen in Prizren, in het huidige Kosovo. De Liga van Prizren wilde voorkomen dat Albanees land werd weggegeven, en eiste later ook autonomie binnen het rijk. Op het Congres van Berlijn dat zomer werden de Albanese protesten grotendeels genegeerd. De Liga verzette zich gewapend tegen de overdracht van Plav en Gusinje aan Montenegro, maar werd in 1881 door het Ottomaanse leger neergeslagen.
Toch begon hier de Rilindja Kombëtare, de nationale wedergeboorte. De gebroeders Frashëri speelden er een hoofdrol in: Abdyl als politiek leider van de Liga, Naim als nationale dichter, Sami met het manifest Shqipëria ç'ka qenë, ç'është e ç'do të bëhet (1899). In 1887 opende in Korçë de eerste officiële school met lessen in het Albanees. Op het Congres van Manastir in 1908 kozen Albanese intellectuelen het Latijnse alfabet. Meer over die schrijvers lees je bij Albanese literatuur.
Tussen 1910 en 1912 kwamen Albanezen in Kosovo en de noordelijke bergen herhaaldelijk in opstand tegen de Jong-Turkse regering. In de zomer van 1912 namen opstandelingen Skopje in. Een paar maanden later vielen Servië, Montenegro, Griekenland en Bulgarije het verzwakte rijk aan, en moesten de Albanezen snel kiezen. Hoe dat afliep, lees je bij de onafhankelijkheid van 1912.
Een ingewikkelde erfenis
Hoe kijken Albanezen nu terug? Verschillend. In de nationale geschiedschrijving, zeker onder het communisme, gold de Ottomaanse tijd als een donkere periode van onderdrukking die pas eindigde met de onafhankelijkheid. Dat beeld is niet onwaar: er was uitbuiting, er waren wrede strafexpedities, en de economie bleef achter. Maar het is ook onvolledig. Albanezen waren lange tijd deel van de Ottomaanse elite, en de islam is voor een groot deel van de bevolking gewoon het geloof van hun grootouders.
In het moderne Albanië wordt daar opvallend ontspannen mee omgegaan. Moskee en kerk staan in veel steden naast elkaar, gemengde huwelijken zijn gewoon, en de Ottomaanse wijken van Berat en Gjirokastër zijn de trots van het toerisme. Wie het land bezoekt, loopt dus voortdurend door deze vijf eeuwen heen, ook als er geen bordje bij staat.
Veelgestelde vragen
Hoe lang was Albanië Ottomaans?
Het hangt af van waar je begint te tellen. De eerste Ottomaanse invallen en vazalverhoudingen dateren van eind 14e eeuw (slag bij Savra, 1385), steden als Berat en Gjirokastër vielen rond 1417-1419, en met de val van Krujë (1478) en Shkodër (1479) was vrijwel het hele land Ottomaans. Het eindigde met de onafhankelijkheid op 28 november 1912. Dat is ruim vier eeuwen voor het hele land en bijna vijf eeuwen voor het zuiden.
Waarom zijn zoveel Albanezen moslim?
Tussen de 16e en de 18e eeuw gingen veel Albanezen geleidelijk over tot de islam. Dwang speelde zelden een directe rol; belangrijker waren de hogere belasting voor christenen, betere carrièrekansen in leger en bestuur en de invloed van soefi-ordes zoals de Bektashi. Katholieken in het noorden en orthodoxen in het zuiden bleven daarnaast bestaan.
Wat was de devshirme?
De devshirme was de Ottomaanse knapenlichting: christelijke jongens uit de Balkan werden weggehaald, tot moslim opgevoed en opgeleid tot janitsaar of bestuurder. Ook Albanese jongens werden zo gerekruteerd. Sommigen klommen op tot de hoogste posten van het rijk.
Wat was de Liga van Prizren?
Een bijeenkomst van Albanese leiders in Prizren (Kosovo) op 10 juni 1878, opgericht om te voorkomen dat Albanees gebied na de Russisch-Turkse oorlog aan Servië, Montenegro en Griekenland werd gegeven. De Liga werd in 1881 door het Ottomaanse leger neergeslagen, maar geldt als het begin van de Albanese nationale beweging.
Bronnen
- Wikipedia — Ottoman Albania
- Encyclopaedia Britannica — Albania: Ottoman rule
- Wikipedia — Köprülü Mehmed Pasha
- Wikipedia — League of Prizren
- Wikipedia — Islam in Albania
- UNESCO — Historic Centres of Berat and Gjirokastra
- Noel Malcolm, Rebels, Believers, Survivors: Studies in the History of the Albanians (Oxford University Press, 2020)