Gekleurde litho van Louis Dupré: de bejaarde Ali Pasha zit in een bontmantel achter in een roeiboot vol Albanese lijfwachten en roeiers, op jacht op het meer van Butrint in maart 1819
Foto: Louis Dupré, Publiek domein, via Wikimedia Commons

Wie langs de Albanese Riviera rijdt, komt hem vroeg of laat tegen. Het driehoekige fort in de baai van Porto Palermo, de stevige toren aan het kanaal bij Butrint, de klokkentoren op de burcht van Gjirokastër: steeds staat er op het bordje dezelfde naam. Ali Pasha van Tepelenë was een van de meest kleurrijke, wrede en slimme figuren uit de Balkan van rond 1800. In Griekenland is hij de tiran van Ioannina. In Albanië ligt het ingewikkelder.

Een jeugd vol wraak

Ali werd rond 1740 geboren in Tepelenë of het nabijgelegen dorp Beçisht, in het dal van de Vjosa in Zuid-Albanië. Zijn familie hoorde bij de lokale moslimadel, maar was arm aan land en rijk aan vijanden. Toen Ali nog een kind was, werd zijn vader Veli vermoord. Zijn moeder Hamko, een harde vrouw uit Konitsa, nam de leiding over de gewapende mannen van de familie en voedde haar zoon op met één boodschap: vergeet nooit wie ons heeft vernederd.

Volgens de overlevering werden Hamko en haar dochter door mannen uit het naburige Kardhiq gevangengenomen en zwaar vernederd. Ali vergat het niet. Bijna een halve eeuw later, in 1812, liet hij in Kardhiq honderden mannen bijeendrijven en doden. Het verhaal laat zien hoe hij in elkaar zat: geduldig, onvergeeflijk en gedreven door familie-eer, een begrip dat je ook in de Kanun tegenkomt.

Als jonge man was Ali een tijd struikrover en huurling. Hij trouwde met Emine, de dochter van de pasja van Delvinë, wat hem aanzien en connecties gaf. Daarna koos hij de veiligste weg naar macht in het Ottomaanse Rijk: hij ging in dienst van de sultan. In de Russisch-Turkse oorlog van de jaren 1780 vocht hij zich in de gunst, en als beloning kreeg hij in 1787 het sandžak Trikala in Thessalië.

Heer van Ioannina

In 1788 werd Ali pasja van Ioannina (Janina), de belangrijkste stad van Epirus, nu in Noordwest-Griekenland. Hoe hij aan die benoeming kwam, is niet helemaal duidelijk; volgens één versie met een vervalst document, volgens een andere op verzoek van de plaatselijke notabelen. Vanaf dat moment breidde hij zijn gebied stap voor stap uit. Zijn zonen Muhtar en Veli werden pasja elders, en tegen 1810 beheerste de familie Zuid-Albanië, Epirus, Thessalië en delen van Midden-Griekenland en de Peloponnesos.

Ali regeerde als een vorst. Hij had een eigen leger van Albanese strijders, een eigen hof, eigen gezanten. Napoleon stuurde hem officieren, de Britten stuurden diplomaten, en Ali speelde beide partijen tegen elkaar uit. Toen de Fransen in 1797 de Venetiaanse bezittingen aan de kust hadden overgenomen, veroverde Ali in 1798 Preveza, met een bloedbad onder de bewoners. In 1806 nam hij Butrint in.

Zijn hof in Ioannina was meertalig en verrassend kosmopolitisch. Er werd Albanees, Grieks en Turks gesproken; zijn correspondentie was grotendeels in het Grieks. Hij steunde Griekse scholen, liet wegen en bruggen aanleggen en zorgde voor veiligheid op de handelsroutes, wat de economie goed deed. Tegelijk was hij berucht om zijn wreedheid: tegenstanders werden geroosterd, gespietst of verdronken. Het bekendste voorbeeld is het verhaal van Kyra Frosini, een vrouw uit Ioannina die op zijn bevel met een groep andere vrouwen in het meer werd verdronken. Het verhaal werd een vast thema in de Griekse literatuur.

Lang had hij moeite met de Souliotes, christelijke Albanese bergbewoners in Epirus die zijn gezag weigerden. Pas in 1803 dwong hij hen na een lange blokkade tot overgave. Een deel van de overlevenden trok naar de Ionische eilanden; een groep vrouwen zou zich volgens de bekende overlevering van de rotsen van Zalongo hebben gestort om niet in zijn handen te vallen.

Lord Byron op bezoek, 1809

In oktober 1809 trok de 21-jarige Lord Byron met zijn vriend John Cam Hobhouse door Epirus. Ali was niet in Ioannina maar in zijn paleis in Tepelenë, en daar reisden de twee Engelsen naartoe. De ontvangst maakte diepe indruk. In een brief aan zijn moeder van 12 november 1809 beschreef Byron het paleis vol Albanezen in prachtige kostuums, de paarden, de muziek, en de pasja zelf: een vriendelijke, oudere heer die hem behandelde als een zoon. Ali zei, schreef Byron, dat hij aan zijn kleine oren, krullende haar en witte handen kon zien dat Byron van adel was.

Byron wist best dat zijn gastheer ook een meedogenloze tiran was, en schreef dat ook. Maar het bezoek werkte door in Childe Harold's Pilgrimage, het dichtwerk dat hem in 1812 beroemd maakte. In de tweede zang beschrijft hij Tepelenë en de Albanese strijders, en hij liet zich later portretteren in Albanese kleding. Mede daardoor raakte "Albanië" in Europa voor het eerst bekend als romantisch, wild en avontuurlijk.

De val

Hoe machtiger Ali werd, hoe meer hij een probleem werd voor Istanbul. Sultan Mahmud II wilde het gezag van het centrum herstellen en de half-onafhankelijke pasja's kwijt. In 1820 kwam de aanleiding: Ali werd ervan beschuldigd dat hij in Istanbul een moordaanslag had laten plegen op een tegenstander. De sultan riep hem op zich te melden; Ali weigerde en werd tot rebel verklaard.

Een Ottomaans leger trok in de zomer van 1820 op naar Ioannina. Ali's eigen bevelhebbers en zelfs zijn zonen liepen een voor een over. Ali stak de stad in brand en verschanste zich in de citadel. Ondertussen brak in het voorjaar van 1821 de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog uit, mede omdat de Ottomaanse troepen bij Ioannina vastzaten. Na een beleg van anderhalf jaar ging Ali begin 1822 in op een wapenstilstand en trok zich terug in het klooster van Agios Panteleimon op het eiland in het meer van Ioannina.

Daar werd hij op 24 januari 1822 (volgens andere bronnen 5 februari) overvallen door mannen van opperbevelhebber Hurshid Pasha. Bij het vuurgevecht raakte hij dodelijk gewond, waarna hij werd onthoofd. Zijn hoofd werd naar Istanbul gestuurd en daar tentoongesteld bij de paleispoort; zijn lichaam werd in Ioannina begraven naast de Fethiye-moskee. In het klooster op het eiland is nu een klein museum, en de kogelgaten in de vloer worden er nog getoond.

Wat je er in Albanië nog van ziet

Ali Pasha was een fanatiek bouwer van forten. Een aantal ervan kun je in Albanië gewoon bezoeken:

Wil je zijn hoofdstad zien, dan moet je de grens over: Ioannina ligt ongeveer anderhalf uur rijden van Gjirokastër. Daar staan de citadel met zijn graf, de Fethiye-moskee en het eilandklooster waar hij stierf.

Held of tiran?

Over Ali Pasha zijn de meningen verdeeld, en dat volgt grotendeels landsgrenzen. In de Griekse herinnering is hij vooral de onderdrukker van de Souliotes en van Parga, de man van het verdronken meisje Frosini. Tegelijk erkennen Griekse historici dat zijn val de Griekse opstand ruimte gaf.

In Albanië werd hij lange tijd gezien als iemand die, zij het voor zichzelf, een groot Albanees machtsgebied opbouwde en zich tegen Istanbul verzette. Albanese strijders vormden de kern van zijn leger, en zijn bewind was een van de laatste momenten vóór 1912 waarop Albanezen zelf een groot deel van de regio bestuurden. Historici waarschuwen wel dat het anachronistisch is om hem een nationalist te noemen: hij streed voor zijn familie en zijn macht, niet voor een Albanese staat. Hij was bovendien aanhanger van de Bektashi-orde; zijn grafsteen in Ioannina draagt hun kenmerkende kroon.

Wie hem wil begrijpen, kan dus het best beide kanten lezen: een slim staatsman, een meedogenloze krijgsheer, een man van zijn tijd. Voor de bredere context, zie de Ottomaanse tijd in Albanië.

Veelgestelde vragen

Wie was Ali Pasha van Tepelenë?

Ali Pasha (ca. 1740-1822) was een Albanese krijgsheer uit Tepelenë die als Ottomaans gouverneur vanuit Ioannina een groot deel van Zuid-Albanië en Noord- en Midden-Griekenland bestuurde. Hij regeerde van 1788 tot 1822 bijna als zelfstandig vorst, voerde eigen buitenlandse politiek en werd uiteindelijk door de sultan tot rebel verklaard en gedood.

Was Ali Pasha een Albanees?

Ja. Hij werd geboren in Tepelenë of het nabijgelegen Beçisht, in een Albanese moslimfamilie. Zijn hof in Ioannina was meertalig: Albanees, Grieks en Turks werden er gesproken, en zijn correspondentie was grotendeels in het Grieks. In het Albanees heet hij Ali Pashë Tepelena.

Waar is Ali Pasha begraven?

Zijn lichaam ligt in Ioannina in Griekenland, in een graf naast de Fethiye-moskee in de citadel Its Kale. Zijn hoofd werd naar Istanbul gestuurd en daar tentoongesteld.

Welke forten van Ali Pasha kun je in Albanië bezoeken?

Het fort van Porto Palermo bij Himarë, het Ali Pasha-fort bij Butrint aan het Vivari-kanaal, de door hem uitgebreide burcht van Gjirokastër met de klokkentoren, de burcht van Libohovë en de restanten van zijn burcht in Tepelenë.

Bronnen